Raad van advies in de lift

Governance in familiebedrijven dreigt eenheidsworst te worden, waarbij alle regeltjes op alle bedrijven losgelaten worden. Nochtans bestaat er op het vlak van governance  een grote kloof te tussen grote en kleine familiebedrijven.

Uit onderzoek van prof. Johan Lambrecht voor FBNet blijkt dat er bij de grotere familiebedrijven (meer dan vijftig werknemers)  een goede  helft een actieve raad van bestuur heeft, terwijl dat bij kleinere familiebedrijven maar 18 procent is. Bij de grotere familiebedrijven heeft 74 % externe bestuurders en bij de kleinere slechts 38 %.

Men zou kunnen voorhouden dat deze kloof moet gedicht worden en dat het streefdoel moet zijn zodat zoveel mogelijk KMO’s actieve raden van bestuur en externe bestuurders hebben. Maar is dit wenselijk en realistisch ? Wij denken van niet.

Maatwerk 

Governance is maatwerk. Het komt er op aan om voor elke onderneming een governance-aanpak uit te werken die het best bij haar past. Voor kleinere ondernemingen kan dat een goedwerkende raad van advies zijn. De raad van advies heeft een apart hoofdstuk gekregen in de Code Buysse II. Volgens de Code heeft een raad van advies als voordeel dat de ondernemer over een klankbord beschikt, er meer systematisch aandacht wordt besteed aan de langetermijnvisie en de strategie van de onderneming en de transparantie en de continuïteit van de besluitvorming wordt bevorderd. Bovendien wordt er een beter  evenwicht nagestreefd tussen de belangen van de familie en van het bedrijf.

De raad van advies bestaat uit interne en externe leden. Op het interne vlak pleit de Code Buysse II ervoor om naast de bedrijfsleider ook de voornaamste aandeelhouders te betrekken bij de vaste kern van de raad van advies. Ook de verantwoordelijke medewerkers kunnen ad hoc deelnemen aan de vergaderingen alsmede de kandidaat-opvolgers, wanneer opvolgingsvraagstukken aan bod komen.

De externe leden van de raad van advies zijn adviseurs, die die niet tot het management behoren en evenmin tot de controlerende aandeelhouder. Het verdient aanbeveling om minstens twee externe adviseurs op te nemen in de raad van advies. De externe adviseur moet bereid zijn zijn  ervaring en inzichten te delen, hij moet in staat zijn om een beleid te evalueren en bij te sturen en hij dient altijd het belang van de onderneming centraal te stellen. Ook moet hij zijn eigen beroepsachtergrond kunnen overstijgen en uiteraard moet hij empathie voor de  bedrijfsleiding hebben. De externe adviseur moet onafhankelijk zijn en  in principe geen externe opdrachten van de onderneming aanvaarden. Ook mag hij geen  belangen hebben in een concurrerend bedrijf. In geval van een  belangenconflict heeft de externe adviseur een meldingsplicht aan de raad van advies. Volgens de Code verdient het aanbeveling dat de raad van advies minstens vier maal per jaar samenkomt.

In een groot project rond raden van advies probeert Unizo thans de principes van de Code Buysse II in de praktijk om te zetten en vraag en aanbod op elkaar af te stemmen.  Een oproep via de media om kandidaat-leden van raden van advies aan te trekken werd een groot succes. Op enkele weken meldden zich maar liefst 1100 geïnteresseerden. Het doel van Unizo is om per jaar vijftig nieuwe raden van advies op te richten.

Kostprijs 

Ondanks de steun van VIA en het Agentschap Ondernemen moet de ondernemer, die deelneemt aan het project, toch zelf in de portefeuille tasten. De jaarlijkse begeleidingskost bedraagt 1125 EUR. Daarnaast kost de adviseur-expert 300 EUR per bijeenkomst. Wie kiest voor drie adviseurs, die vier bijeenkomsten bijwonen, zal dus in totaal 4.725 EUR moeten ophoesten.

Bovendien mag men uiteraard niet uit het oog verliezen dat de raad van advies maar een stadium is in het governance-proces. Indien de onderneming verder groeit zal er een dag komen dat een echte raad van bestuur met externe bestuurders de evidente volgende stap is.